Česká centra, Czech Centres

Česká centra / Czech centres - logo

Nieuws

Al het nieuws

Voorpublicatie: Jáchym Topol - Een beetje honing

'Hoe we huilen en lachen om hetzelfde' (Comme nous pleurons et rions d'une même chose). Met de titel van dit essay van de Franse filosoof en schrijver Michel de Montaigne als leidraad, zijn twaalf auteurs uit heel Europa ingegaan op het verzoek een essay, een kort verhaal, of een ander stuk proza te schrijven. Onder hen ook Jáchym Topol, die 14 mei aanwezig is bij de Nacht van de Europese Literatuur waar het boek gepresenteerd wordt.

Kijk hier voor meer informatie over de Nacht van de Europese Literatuur.

Hier een voorproefje van Topols bijdrage Een beetje honing (vertaling: Edgar de Bruin)

 De winter blaast zijn laatste adem uit, laat op de stoep opgevroren sneeuwklonten en zwart ijs achter. De zon klimt al af en toe boven de stad uit, schuift langs de glazige hemel.

De gordijnen zijn hier, op een kleine kier na, voortdurend gesloten. De lichtstraaltjes gutsen naar één plek in de kamer. Je schijnt ze zo makkelijker te kunnen vangen.

Ze had een spiegeltje, zo eentje als meisjes hebben om hun neus te poederen, mee in bed genomen.

Ze geniet er nu van om het vaak in haar hand te houden, af en toe glipt het onder het kussen of raakt verloren in de dekens, geen punt, ze weet het altijd wel op te duikelen.

Mijn moeder bekijkt zichzelf niet, ze is trouwens nooit overdreven modebewust geweest en heeft zich ook niet onnodig opgedirkt, ze bestudeert de canyons van rimpels in haar gezicht niet, welnee, ze is met haar spiegeltje op jacht naar stukjes zon, omdat het waarschijnlijk de laatste lichtstraaltjes zijn die ze zal zien.

Hoewel, wie weet wat er daarna komt. Daarover hebben we het niet echt gehad.

De afgelopen twee jaar is ze gewend geraakt aan het legeren in bed. Voordien maakten we in het trage ritme van tikkende krukken zelfs wandelingen… bijvoorbeeld helemaal naar de Moldau… meeuwen schoten langs de hemel, overal kleuren, lawaai, mensen.

Ongeveer een halfjaar geleden werd echter de gang naar de wc voor haar het avontuurlijke hoogtepunt. Via sms’jes doet ze me verslag van die expedities, een seniormobieltje hangt aan een touwtje onder haar schouder, zoals een Indiaan zijn koker vol pijlen draagt. Als ze tijdens haar tocht door de jungle van haar woning moet blijven staan om op adem te komen, of als ze zelfs valt, vuurt ze een pijl af.

Dressoir… meldt ze bijvoorbeeld. Als het even kan laat ik alles liggen en snel erheen om haar van het dressoir op te rapen, en al naargelang haar wensen naar bed of naar de wc te dragen. Van die codewoorden, zoals ‘dressoir’, hebben we er meer.

Hoe is het eigenlijk, mama?

Weet je nog hoe spannend het was wanneer je als kind ’s nachts de overloop moest oversteken? Ouders nergens te bekennen, of ze liggen te slapen, en je voelt een enorme angst en vrees, je bent bang. Maar dan doe je het.

 Ze glimlacht of probeert het. Het is gewoon een reeks kleine overwinningen, voegt ze eraan toe.

 Je moet me niet verblinden…

 Ze heeft namelijk net een zonnestraal in haar spiegeltje gevangen en die in mijn ogen gekegeld.

 Ze legt het spiegeltje meteen weg. Ze wil me geenszins plagen met die lichtvlekjes. We waren altijd behoorlijk op elkaar gesteld. Nou ja, tot mijn zestiende, voor ik eindelijk het huis uit ging, was ze elke avond, vrijwel elke avond straalbezopen. En als ze niet bezopen was, had ze een kater, wat nog erger was. Maar rond haar vijftigste is ze godzijdank! helemaal gestopt met drinken. Ze ging op kerkenpad. En haar dag begon en eindigde met een gebed. Ze is niet voor niets in een kloosterweeshuis opgegroeid. Haar vader, mijn opa, was tijdens de oorlog overleden. Haar moeder schijnt haar ‘verstoten’ te hebben. Het is voornamelijk de orde van Engelse maagden die zijn stempel op haar opvoeding heeft nagelaten. Voor de communisten de boel opdoekten. Maar toen ze jonger was stak ze, gesteund door de fles, vaak de draak met de benaming van die vrome zustergemeenschap. De grappige verhalen uit het meisjesweeshuis kreeg ik zonder pardon voorgeschoteld. Helaas waren die aan mij als jongen niet besteed. In haar bekering zat niets verbetens. Het leven was rustiger geworden. Het is inderdaad vast beter om ’s ochtends te bidden dan borrels achterover te slaan. En dat niet alleen. Nadat ze zelf tot inkeer was gekomen, dwong ze me nergens toe, begon ze niet in plaats met dat gezuip me met dat bijbelse gedoe te treiteren, ze kwam uit de stenen kerken terug met berichten over Tempeliers, Johannieten… Praag barst ervan… en dat vond ik juist leuk.

 Alsjeblieft, mama, die honing. Uit Galilea.

 Ik zei het nogal nonchalant… ik vermeldde die aankoop terloops, tussen neus en lippen door, gewoontjes. Maar ik was trots, dat wel. Zeg nou zelf, welke zoon neemt voor zijn stervende moeder honing uit het land van Jezus mee?

Het volledige stuk is te lezen in De smalle grens tussen vreugde en verdriet bewandeld door twaalf auteurs, dat verschijnt bij uitgeverij Cossee